Print
deze pagina
door dr. J.C. Borst"Mag ik eens met u praten? Toen ik twaalf was heeft mijn broer mij verkracht. Ik was nog een kind. Hij zegt dat hij het niet meer weet. Dat gelooft toch niemand? Mijn broer ontkent alles en maakt mij belachelijk. Hij vertelt dat ik niet voor niets bij het RIAGG loop. Ik ben kapot. Maar niemand heeft het in de gaten. Ik houd me groot, anders heb ik helemaal geen leven. Maar van binnen ben ik leeg. Ik heb geen tranen meer".
Ik had een jonge vrouw aan de lijn, Hanny, die door haar oudste broer lang geleden was misbruikt. Dat vertelde ze in de eerste zin. Alsof het gisteren gebeurd was. Ze belde mij naar aanleiding van een artikel in een christelijke krant over slachtoffers van seksueel misbruik. Ze vond dat er te gemakkelijk over vergeving geschreven was in het artikel. Bovendien kwetste het haar, dat er alleen maar deskundigen geciteerd werden: psychotherapeuten, dominees, voorgangers, bijbelgetrouwe gemeenteleden, daders met veel of weinig berouw, daders die zich slachtoffer voelden en slachtoffers die de daders al lang hadden vergeven. Zij was een slachtoffer dat niet kon vergeven. Nog niet. "De zaak ligt open. In het dorp en in de kerk.", vertelde ze verder. Dat haar broer tot diaken bevestigd was, vond ze kwetsend, maar onverdraaglijk vond ze dat het in dezelfde kerk gebeurde als waar zij naar toe gaat. Of liever: waar ze tot voor kort naar toe ging. Ze had nu 'vakantie' genomen. Om een beetje afstand te nemen van haar dorp en haar kerk. "Mag ik eens langskomen. Nog eens met u praten?" Ik vond dat ze mocht langskomen. Waarom? Misschien wel omdat ze zei dat ze in haar vakantie jarig was. Ze zou het vieren met haar poes: met een tompouce en een blikje Tom Poes. "Dank u wel voor het gesprek!" Ik had nauwelijks iets gezegd. Dat was mijn cadeautje?
|