Print
dit hoofdstuk
Zoals de bruidegom zich over de bruid verblijdt, zal uw
God Zich over u verblijden.
Jesaja 62:5
Het was nog een jonge man, maar dat zou je op het eerste gezicht niet
zeggen. Binnen korte tijd was zijn jeugdige elan weggevreten door honger en
ziekte. Hij had het ervan genomen, al was het maar voor korte tijd. Hij had
er een fortuin doorheen gejaagd. Zolang er geld was had het hem niet ontbroken
aan vrouwen, feestjes, plezier. Maar toen het laatste geld was verdwenen, was
hij er niet echt verbaasd over dat zijn ‘vrienden’ ook verdwenen
waren. En nu was hij alleen. alleen.
Toen die jonge man nadacht over zijn ouderlijk huis, ontdekte hij dat leven
op grote voet iets anders is dan leven volgens hoge normen. De wilde feesten
waren niets meer dan een wreed en vals beeld van werkelijk leven maar nu realiseerde
hij zich dat zijn familie en zijn thuis het echte leven waren.
Zijn vader had steeds voor hem gezorgd en kosten noch moeiten gespaard. Maar
hij had het altijd als iets vanzelfsprekends beschouwd. Mooie kleren, bedienden,
een volle tafel – en nu moest hij leven van de restjes van anderen. Hij
was niet meer dan een slaaf, ongeschikt voor het laagste niveau van het werk
van de bedienden in zijn ouderlijk huis. Zijn uitspattingen hadden hem tot dat
laagste niveau gebracht.
Die gedachte sneed hem door het hart. Voor het eerst zag hij het slechte in
zichzelf. De dwaze rebellie die hem ertoe had gebracht zijn erfdeel op te eisen
en te vertrekken. Hoe had hij zijn vader zoveel verdriet kunnen bezorgen en
dat alles om een zak geld. Hij kreeg er tranen van in de ogen. Daar zat hij,
modderig, in de viezigheid van allerlei afval. En hij huilde onbedaarlijk. De
andere bedelaars dachten dat hij dronken was, maar hij was vol berouw en heimwee.
|